de ironie van de kwetsbaarheid

hoe schrijf je een beeld?
hoe schrijf je u?
kan het een afscheid zijn op een vlieghaven – en hoe neem je afscheid van een vriend, van datgene dat je koestert en dat gegoten ligt in de vorm van een mens? hoe schrijf je hem die jouw kleine brein laat zweven en zweten, je lijf laat lachen en huiveren en zij die haar woorden en bewegingen gebruikt als degen en omarming. maar steeds blijf je de ogen zien – de grimas van liefde die zij niet kan verbergen.
hoe schrijf je haar – die zo eigenste ik die alleen maar afstand kent?
haar streven en schoonheid zijn niet de mijne, maar aangestoken door diens vuur van armen en hete decibels kan hij net dát chemisch element laten werken. een cerebrale schokgolf die niet enkel laat leven wat je onbekend is. bovenal verwarmt en vult deze goddeloze openbaring je eigen reeds aanwezige kunde – je eigen weten en schoonheid. dat maakt die zo gegeerde ander mooi en zo noodzakelijk nodig.
het voelen van zijn verhaal, het zien van haar woorden, die warmte van lichaam laat me zelf (graag) zien – zij doet me glimlachen en aarde voelen. de vriend laat me zijn wie ik denk te willen zijn en ik denk dan luidop – hoe heerlijk je te horen – zij lacht dan. die andere, die hier platvloers vriend wordt genoemd, is diegene die door haar oor-oogliefde vrolijk mijn hiaten bewandelt en net daardoor mijn kennen, mijn streven, mijn schoonheid en mijn reeds ‘voltes’ vult en opnieuw vormt.
liefde is dan zo simpel als het tegenover iemand staan – het kent louter gradaties. van koud tot heet, van nabij tot neutraal, van krimpen tot groeien, van zout water tot oogverblindende witte tanden, van net dat vleugje blauw. hij tekent zijn silhouet door zijn hoeveelheid afhankelijkheid, wederkerigheid en nodigheid die jij toelaat. liefde als kwetsbaarheid, wordt geleefd als tabula rasa. een telkens her-beginnen zonder heden of verleden, zonder mij of haar te verliezen of te vergeten – toch wil, kan en moet net dat tijdelijk worden losgelaten om volledig inleving te omarmen.
een heilige zekerheid niet zeker te zijn, is de noodzakelijke voedingsbodem voor de groei die liefde heet. je eigen kennen, weten en voelen plastificiëren om je op zulk een manier te geven aan de ander, zodat je werkelijk toelaat wat hij is en geeft en niet dat wat je denkt toe te laten. het lijkt wel een voortdurend bewandelen van de grens waar links het ik dreigt te vervagen en rechts de overheerlijke ander lonkt. niets is minder waar – zij zijn de absolute noodzakelijkheid voor elkaar – de ik-vervaging is de methode en bewoording om jezelf scherp te herkennen dankzij de ander.
het verschil zien en denken te zien, hoe gering dit ook lijkt, is essentieel. dit geringlijkend verschil is niets minder dan de voorwaarde tot een werkelijk ontmoeten. haar werkelijk zien is, in tegenstelling tot het denken hem te zien, een loslaten – een bijna verlaten en verdwalen van jezelf. dit eeuwig streven laat zich moeilijk schrijven, daarom zal ik het trachten te tekenen – omdat zich ook binnen het langzame proces van tekenen een identiek mechanisme toont.
het tekenen net als liefde krijgt pas laat in ons mensenleven vorm – jaren van schoolse en aanvaarde zelfontdekking, zelfkennis en weten gaan hieraan vooraf en lijken zelfs een vertraagde werking in zich te dragen.
hoe leer je tekenen en hoe leer je liefde?
het potlood en het papier zijn ons niet vreemd, net zomin als het voorwerp dat je vorm wilt geven. zo is man noch mens ons vreemd, of het daar te behalen doel – believen en geliefd worden. tekenen kent het noodzakelijk en langzaam proces, een lastig dwalen jezelf te moeten loslaten om het voorwerp werkelijk te kunnen tekenen. onze zo gegeerde en beminde manier van kijken, vormt de blinde muur tussen papier en oog. het dwalen is een uitputtende, tevens genotsbrengende strijd tegen jezelf, tegen je kennis en je weten, tegen het oog waar we zo mee zijn vergroeid. men tekent en heeft lief wat men denkt te zien, niet wat is. zulk tekenen blijft louter een verkennen, een opgraven maar mist de vruchtbaar heerlijke wederkerigheid.
het is een kwetsbare afhankelijkheid – of zoals de reeds vernoemde ik-vervaging – die deze intense wederkerigheid toelaat en de tekening laat ontstaan. het voorwerp wordt niet bekeken maar gezien door het al tekenend te ontdekken. net als in liefde wordt bij tekenen die kwetsbaarheid, dat loslaten geëist zodat het mogelijk wordt de ander te zien. een tabula rasadenken dat geen ontkenning van jezelf impliceert, maar wel een ‘verlaten’ om de ander toe te laten en jezelf (op)nieuw vorm te geven.
het werkelijk toelaten vraagt verdwaling – het vraagt witheid, een durf tot afhankelijkheid, een kwetsbare nodigheid. liefde, net als tekenen, eist een altijd witheid – een gevulde witheid. een streven naar een moment van niets om zo volledig toe te laten en jezelf opnieuw te impliceren.
tekenen en liefde, die warme andere en mijn nood aan lijn, zij zijn de schets van wat schilderen inhoudt. zoals alles en altijd propt men zich vol beelden, woorden en ideëen. men kijkt, ruikt, luistert en leest – men voelt, streelt en krabt. wanneer men dan – geconfronteerd met het overweldigende witte vlak gewapend met potlood en gom – dát wil neertekenen moet er een punt van nietsheid zijn. bereik ik dat niet – dan laat ik de wederkerigheid niet toe. bereik ik dat niet, dan spreekt louter mijn persoon en dat wat reeds in het kopje zit. ik laat niet toe het papier te laten zijn, ik laat niet toe mijn poltood en papier samen te zijn, ik laat niet toe mezelf te verliezen in potlood en papier, in die taal die zij zijn en teken enkel wat is gedacht. zulke tekeningen leven niet en worden beter uitgeschreven dan dat ze worden getekend.
ik moet in mijn volheid van geur, beeld en woord net die leegheid toelaten om zo papier en potlood te aanvaarden en te laten zijn wat zij zijn, niet wat ik van hen maak en denk. het is een leegheid die een absolute samenballing is – zo verknocht en gebald dat zij niet spreekt toch sudderend aanwezig blijft. die overlopende leegheid – die nodigheid impliceert – laat toe te ontdekken wat jij bent en dat in zijn enige mogelijke vorm, namelijk in relatie met.
het is de zuivere ironie van de kwetsbaarheid – de heerlijke slaafsheid (hesse; steppenwolf)
ironie in die zin dat zij voor velen als verlies van het zeker wetende ik wordt begrepen, toch is die aftasting, dat noodzakelijk moment van een niet bestaand ik, van totale onzekerheid, het moment dat blijft leiden naar mezelf. zekerheid maakt blind, stopt het zoeken – vergeet de pijn van verkennen. zij doet ‘geloven’ in een ik die schandelijk faalt door zijn onwrikbaarheid.
mijn vurige passie voor afhankelijkheid – het zo kwetsbaar en leeg willen zijn, lijkt veelal overbodig en ongepast. de ruimte die me amarmt, laat dat ook niet toe, zij vraagt – zij smeekt om zekerheid, om een weten en er te staan, om een kennen en te beslissen.
mijn streven het één niet te willen kunnen daar zij blindheid veroorzaakt en het andere te moeten mijden omdat het niet ‘hoort’, lijkt zinloos en dat is het ook meestal, maar een zeldzame keer geeft ze vleugels. en wie zou de blauwe plekken en het botsen vermijden als er gevlieg op het spel staat?
ritic-us nieuwsbrief




rss (posts)
feedburner
dag katelijne,
laat ik eerst een algemene impressie geven.
een commentaar waarbij je -zoals steeds- moet kijken waar die vandaan komt.(want vereist commentaar geven in wezen niet dat wie die geeft zich in bepaalde mate als mentor kan voordoen? en daar knelt hier en elders op deze site waarschijnlijk een schoentje).
ik vind het mooi hoe je op zoek gaat naar een zekere speelsheid in je schrijven. de wissel tussen ik-persoon en personage; die dan toch weer dezelfde zijn. contradicties als waarheden. woorden die niet samenhoren toch tot één laten samensmelten en zo tot een nieuwe conclusie komen.
ik wil dan ook besluiten dat ik bij jou vast en zeker een idiosyncrasie ontwaar om de schoonheid van taal en woorden te benutten. je voelt aan wanneer een woord een ander versterkt, zelfs al is dit binnen een niet-evidente context of samenhang.
je voelt dat je steeds weer op zoek gaat naar middelen om de lezer te verrassen, tot nadenken te dwingen.
we spraken eerder op een terras onder vroege voorjaarszon nog over het belang van die gevoeligheid om tot ontplooiing te komen. toch zeker binnen de terreinen waar het niet louter functionele zich bevindt.
trouwens: leer je liefde? (tout court)
en verder: ik ben vooral te vinden voor de laatste paragrafen (het tekenen net als liefde…)
wat dat deel vooraf gaat is zeker niet minderwaardig. maar soms denk ik dat je in je zoeken naar de bovenvermelde verrassingen soms wat tot gekunsteldheid (wat harder klinkt dan ik het bedoel) komt. al geldt dit zeker niet voor alles, maar betreft het slechts enkele zinnen.
vanaf waar ik ‘een tweede deel’ denk te ontwaren word ik ‘tot rust gebracht’ door een meer aanwezige lijn in je schrijven. dit is natuurlijk zéér persoonlijk.
nog verder: over vorm en slechts nog een beetje inhoud. (taalkundig dus).
… haar streven en schoonheid zijn niet de mijne, maar aangestoken door diens vuur van armen (met?) de hete decibels kan ….
ook in die zin gebruik je twee maal chemisch… misschien kan scheikundig of iets dergelijks voor variatie zorgen terwijl het bedoelde behouden blijft?
…je eigen reeds kunde…
bedoel je ‘je eigen reeds aanwezige kunde’?
… laat mezelf graag zien…
bedoel je laat me mezelf graag zien, of laat me zelf graag zien?
… mijn hiaten bewandeld … moet bewandelt zijn
… zonde mij of haar te verliezen of vergeten…
ik denk dat er voor ‘vergeten’ nog een ‘te’ hoort te staan.
… gering … geringlijkend (in een zin)
…een streven naar een wit moment van niets om zo (?) volledig toe te laten …
(laat je iets toe?)
… krapt … moet krabt zijn
ziezo
je ziet maar wat je er mee doet!
groet
antwoord op dit commentaar
eindelijk is het zover!!
de taalaanpassingen (waarvoor mijn oprechte dank) zijn gebeurd en ik slaagde er min of meer in een antwoord te formuleren op de vraag:
kan je liefde leren?
natuurlijk kan je – wat zeg ik – moet je liefde leren.
net als bij het tekenen gaat het in de tekst niet over de aangeboren en aanwezige kiem tot liefhebben en tekenen. ik bespreek noch de kunde en noodzaak tot krabbel (dit alles behalve pejoratief bedoeld) en tekengedrag, noch de bijna natuurlijke (biologische) noodzakelijke gave en bron van liefde en genegenheid (cf. moeder- en ouderliefde). de vergelijking met het spreken en de taal lijkt me in deze haalbaar. de kiem tot spreken en taal, de aanzet tot het talig zijn is bij ieder mens aangeboren aanwezig. toch is een eeuwige leertocht vereist om een werkelijk talig mens te worden en te zijn. ik heb het met andere woorden niet over de ‘kernliefde’, de bewust gekozen éénliefde, één partner. ‘liefde is’, zoals ik reeds schreef, zo simpel als het tegenover iemand staan en kent louter gradaties.
laat me in deze herdefiniëren – liefde beschrijft de (noodzakelijke) openheid die je geeft om tegenover iets of iemand te staan. en natuurlijk kent deze verschillende en zeer variabele gradaties, van een bijna volledig geven tot een louter blik.
‘het iets of iemand’ uit mijn defenitie duidt meer dan overduidelijk naar ‘iets of iemand’ en dus niet naar de één en absolute ‘lotte’*. ‘openheid geven’ klinkt bijna christelijk, toch omschrijft dit een langzaam denk- en leerproces dat volledig losstaat van een externe spirituele en/of goddelijke inspiratie. het betekent de kunde (wanneer je tegenover iets of iemand staat) je eigen hoofd en lijf temporeel te ‘bevriezen’, zonder hierbij jezelf te verliezen, te verloochenen of je onderdanig te maken aan wat dan ook. omdat de grootste vijand binnen het leerproces van genegenheid, zien en liefde nu net je eigen denken, je eigen kennis, je eigen voelen, willen en weten is.
liefde lijkt me dan ook de meandrische tocht om de kunde van het kijken en het horen langzaam tot een deskundigheid van het zien en het luisteren te laten worden.
de (bijna) biologische kiem tot liefde, tekenen en liefhebben – die kunde omvat naar mijn aanvoelen (nog) niet de deskundigheid die mogelijk is. zij is dan wel noodzakelijk doch niet voldoende. en het is net dat leer-kijk-luisterproces dat in de tekst wordt omschreven als ‘liefde leren’.
in e. vermeerchs denken over verdraagzaamheid en tolerantie vind ik hieromtrent een vergelijking en bevestiging. hij maakt, om zijn idee te verduidelijken, de vergelijking met het uitdijen van de centrische cirkels in het water die ontstaan na het werpen van bijvoorbeeld een steen. verdraagzaamheid, zo stelt hij, is de evidentie zelf in de meest kernachtige cirkel, het is pas naarmate de cirkels uitdijen, zich verwijderen dat verdraagzaamheid moeilijk wordt, abstracter en dus een grote inspanning vraagt. vermeersch trekt in zijn rede en vergelijking de parallell tussen de kernfamilie en de kleinste nabije-watercirkel om vervolgens letterlijk en figuurlijk uit te dijen richting familie, vrienden, kennissen, dorps-of stadsgenoten, vlamingen, belgen, europeanen, de wereld en het heelal. men kan het uitdrukken als dat ‘situaties ver van ons bed’ een grote inspanning vragen en een ‘abstractere’ vorm van empathie. de (des)kundigheid tot abstracte empathie is een proces, is een denk- en leerproces – is geen vanzelfsprekendheid die ‘zomaar’ aanwezig is.
*j.w. goethe
antwoord op dit commentaar
mag ik dan interpreteren dat jouw ‘liefde’ eigenlijk gezien wordt als een ‘manier van omgaan met een ander’. dat het dus dat samenzijn is dat men moet leren, waarin met moet groeien.
een samenzijn dat door een grotere nabijheid van de een ten opzichte van de ander tot liefde verwordt.
dus anders: samenzijn moet je leren. liefde gaat hand in hand met dat samenzijn.
antwoord op dit commentaar
je kan deze tekst op twee manieren lezen. als persoon die je kent of als buitenstaander die niet weet wie kat is. laat ik me eerst eens in de plaats van die tweede persoon stellen. waarom? omdat ik bij de vlieghaven natuurlijk weet wie je bedoelt, evenzo bij de decibels. en dat maakt het lezen in ieder geval anders.
in de eerste paragraaf is er enige twijfel of het daadwerkelijk over twee personen gaat. laat mij me nader verklaren door volgend citaat te analyseren:
ik zie in deze zin een hem en een zij. daarom zou ik opteren, om van in het begin deze tegenstelling duidelijk te maken, voor een hem en een haar in plaats van zij.
een volgend citaat is ook ietwat onduidelijk om dezelfde reden:
dit zou ik omvormen tot: haar streven en schoonheid zijn niet de mijne, maar het is hij die door zijn vuur van armen en de … . ik denk dat ik dan, ik zeg het opnieuw, als buitenstaander, minder verward zou zijn.
vanaf de paragraaf ‘een heilige zekerheid niet zeker te zijn’ is het geheel duidelijker en wordt de relatie tussen de liefde en het tekenen uitgediept. ik mis enigszins de logische overgang van het voornoemde eerste deel naar dit tweede deel en had gehoopt dat ‘hem’ en ‘haar’ op het einde nog zouden terugkeren, maar dat is niet het geval. nu, de link is er uit te halen, aangezien je zegt dat je jezelf herkent door (de liefde voor) de ander. toch mis ik iets, wat ik niet direct kan benoemen. mijn verdict als buitenstaander: een eerste deel dat ik moeilijk kan vatten, een tweede deel dat helder en coherent is. en waarbij de beeldspraak en de gebruikte metaforen over de liefde en het schilderen (en de liefde voor het schilderen) mooi aan bod komen. een positief verdict dus. als mezelf, die wel mag zeggen kat enigszins te kennen, doet het eerste deel me glimlachen. want ik weet wie hij en zij zijn en ik herken wat ze beiden doen, hoe ze zijn. toch mis ik als mezelf ook een beetje een ‘overgang’, al blijft mijn oordeel over het tweede deel hetzelfde. een goede tekst en mits wat minimale aanpassingen aan het eerste deel durf ik zelfs zeggen dat dit opnieuw één van je beste teksten is. en hoewel je ditmaal jezelf proportioneel hebt overtroffen (in dit literatuursegment), blijft het geheel boeien.
tot slot enkele stilistische opmerkingen en suggesties (aanvullend op commentaar jonas):
hoe schrijf je hem die jou kleine brein laat zweven en zweten…:
jouw
een chemische schokgolf die niet enkel laat leven wat je onbekend is, bovenal verwarmt en vult deze goddeloze openbaring je eigen reeds kunde – je eigen weet en schoonheid.:
(1) na is zou ik een punt zetten;
(2) ik zou opteren voor je eigen weten
in deze zin staat ook …je eigen reeds kunde. je doet dit ook bij …en mijn reeds ‘voltes’. reeds wordt echter niet als bijvoeglijk naamwoord gebruikt, maar als bijwoord (van tijd). grammaticaal voelt dit dus voor mij niet juist.
an lichaam laat mezelf (graag) zien:
ik zou me mezelf schrijven. het mist iets.
liefde als afhankelijkheid, en dit op zijn beurt als kwetsbaar, wordt geleefd als tabula rasa.:
als je dit leest is de samentrekking ook dit: liefde als kwetsbaar. ik zou opteren voor kwetsbaarheid.
er staat ergens plastificiëren, ik vermoed dat dit plastificeren moet zijn, maar dit heb ik niet opgezocht.
ons zo gegeerde en beminde manier van kijken: onze in plaats van ons (het is onze manier van kijken).
diet
antwoord op dit commentaar
mensen, beter kat…..ik vind da heel schoon en meer moet dat niet zijn….
antwoord op dit commentaar