waar twijfel is, is vrijheid

interviews met onder andere eva brems, monica van kerrebroeck en fatma pehlivan versterkten een aanvoelen dat er wel degelijk een duidelijk verschil bestaat tussen bijvoorbeeld een loketbediende en een rechter – een duidelijke gradatie in het ‘moeten’ streven naar een zichtbare en leesbare objectiviteit/neutraliteit. natuurlijk wordt van allen objectiviteit verwacht, toch ervaren we in de uitvoering ervan, die specifiek gerelateerd is aan die bepaalde functie, een niet te verwaarlozen gradatie. dit gradueel verschil verduidelijkt zich door zijn correlatie aan ‘macht’ – aan de uitvoerbare en aanvaarde zeggingskracht die het heeft ten aanzien van een andere persoon. zo wordt een duidelijk gradatieverschil aangevoeld tussen een loketbediende en een rechter, omdat bij wijze van spreken, de een zijn zeggingskracht over een postzegel gaat terwijl de andere kan beslissen over een al dan niet gevangenisstraf. in dieters tekst wordt deze gradatie (in het al dan niet zichtbaar mogen/kunnen tonen van religieuze symbolen) beschreven als dat de één (bijv. een loketbediende) een verdere afgeleide is van de neutrale staat als de ander (bijv. een rechter). dit herkennen en erkennen doet besluiten dat, hoe lager je je op de-trap-der-verwachte-objectiviteit bevindt, hoe minder belanghebbend het is je zichtbaar neutraal te (moeten) tonen. zo vind bijna iedereen het heel normaal dat een rechter zich ostentatief zichtbaar neutraal opstelt en dat dat bij een loketbediende algemeen minder ‘dwingend’ is.

toch moeten we hierop verder gaan, wat dan gedaan met de ‘hogere’ functies binnen onze maatschappij? dieter brengt het volgende argument naar voor:

‘objectiviteit wordt bewaard en bepaald door procedures en regels die opgelegd worden van hogerhand, zodanig dat de marges voor de invloed van eigen persoonlijke voorkeuren tot een absoluut minimum vernauwd worden. een rechter mag zich ook niet buiten een bepaald kader begeven, maar bezit toch een zekere vorm van autonomie als hij een oordeel velt. bij hem is het bijna een morele verplichting om op alle mogelijke manieren te tonen dat hij als een mens zonder vooroordelen de rechtszaal binnenstapt. [...] de machtspositie die iemand bekleedt in onze maatschappij [...] hoe hoger die is, hoe meer persoonlijke preferenties kunnen meespelen in het uitvoeren van een taak.’

ik ga hier volledig mee akkoord, het enige waarin we verschillen is de besluittrekking die we nemen vanuit dat feit. het is waar dat hoe ‘hoger’ de functie binnen een staatssysteem, hoe meer autonomie de persoon bezit om beslissingen te maken en hoe noodzakelijker de verwachting is zich neutraal en objectief te tonen, waarbij het uniform een rol speelt. dieter besluit hieruit dat een loketbediende wel een hoofddoek kan dragen maar een rechter niet. een ander besluit daarentegen legt ten eerste een groter belang en betekenisvolheid aan de dag omtrent het dragen van een uniform (bijv. een toga) en ten tweede getuigt het wél dragen van een hoofddoek (indien die persoon ernaar leeft) van een duidelijker en dus objectiever beeld van die persoon.

ten eerste is het dragen van een voorgeschreven toga de uiting van een conformeren. het aantrekken van de toga toont een bewust zijn van zijn functie, het zichtbaar tonen dat hij binnen zijn functie aan de gevraagde eisen en voorschriften zal voldoen, dat hij zich binnen zijn functie zo objectief mogelijk zal uitspreken.

het tweede punt is delicater, er is de steeds wederkerende opmerking dat een persoon zijn overtuiging, zijn ideologie, zijn eigen normen en waarden niet veranderen door het al dan niet dragen van een hoofddoek of kruisje. men is wie men is ongeacht het uiterlijk vertoon. daaruit kan men besluiten dat het dan “eerlijker en duidelijker” is iemands overtuiging wel te kennen/ te weten. daar de inherente overtuiging niet ‘verdwijnt’ samen met het symbool, getuigt het wel dragen van een grotere (tentoongestelde) objectiviteit dan wanneer die persoon dat niet doet.

het enige criteria dat mag en kan gelden is – hebben de uiterlijke symbolen invloed op de correcte uitvoering van zijn functie? neen.
bestaat er, los van een subjectieve ervaring, een redelijk argument iemands persoonlijke vrijheid te ontnemen? neen.
wanneer die persoon zich naar al de eisen van zijn functie schikt, zie ik niet in waarom deze zijn hoofddoek niet mag dragen, zelfs wanneer hij agent, advocaat of rechter is.
het politieuniform en de toga van zowel de advocaat als van de rechter is in deze hele discussie van groot belang. het is de veruiterlijking van de functie – van de aanvaarding van de eisen die de functie voorschrijft. het is het zichtbaar en bewust tonen dat je de functie met een zo groot mogelijke objectiviteit zal benaderen. ik zeg niet dat de objectiviteit door het dragen van een uniform ontstaat, wel dat je aan de buitenwereld toont dat je deze zo nauwgezet mogelijk zal invullen. het is een telkens opnieuw tonen dat, ook al is het onmogelijk, je er alles aan zal doen te oordelen vanuit een zo objectief mogelijk standpunt.

men leest vaak: ‘dus zo een stoere kerel met lang haar en een pet met daarop ‘anarchy is the way of live’ kan rechter zijn?’ het antwoord hierop is even duidelijk als kort: ‘ja, natuurlijk.’ er zal logischerwijs eerst de idee van ongelijkvormigheid zijn en dus van onmacht, een angst niet volgens mijn overtuigingen en normen beoordeeld te worden. maar dat mag/kan en zal geen grond zijn om een ander zijn keuzevrijheid (officieel) te ontzeggen. omdat de angst voor een minder neutrale en minder objectieve behandeling louter gebaseerd is op een symbool, op een zichtbare veruiterlijking van iets dat toch aanwezig is.

naast dit feit is er ook een intuïtieve en een meer inhoud-vormelijke grond alsook de maatschappelijke mogelijkheid misbruik aan te pakken en uit te sluiten, die meespelen om resoluut te kunnen zeggen ‘ja, natuurlijk’.
ten eerste kunnen we er op intuïtieve grond vanuit gaan dat een persoon met zulk een levensmotto niet de de keuze zal maken net die studies aan te vatten die inherent botsen met zijn ideologie, laat staan te volharden in de examens en de eisen waar een rechter moet aan voldoen. dit natuurlijk niet op basis van zijn kunnen, maar op basis van zijn ideologie en overtuiging. het telkens opnieuw aandoen van een toga, waarmee hij schreeuwt zich te conformeren aan het (objectieve) rechtssysteem, lijkt niet de meest logische keuze.
ten tweede is er de inhoud-vormelijke grond. wanneer we de studies, examens, eisen en voorwaarden beter bekijken, kunnen we er vanuitgaan dat wanneer je eraan voldoet, je ook geschikt blijkt voor die functie. laat het me zo stellen, wie de lange weg aflegt om rechter te kunnen worden moet zoveel barrières, zoveel filters en bewijskracht aan de dag leggen, dat eenmaal geslaagd je duidelijk klaar bent voor de functie. de jaren opleiding zijn een filtersysteem dat hen ‘aanduidt’ die absolute bereidheid tonen om hun subjectieve levensbeschouwingen langs de kant te schuiven.
ten derde is er de maatschappelijke mogelijkheid misbruik aan te pakken en te bestraffen.

de goedkeuring van het verbod op het dragen van religieuze, ideologische, filosofische en levensbeschouwelijke symbolen in gent is even triest als ongegrond.

wat hier volgt, is nog niet uitgewerkt, maar niettemin te belangrijk om weg te laten

uiterst belangrijk in de discussie omtrent de hoofddoek is de symboolwaarde ervan. is deze al dan niet een symbool van de onderdrukking van de vrouw.
laten we op de eerste plaats niet uit het oog verliezen wat een symbool betekent. een symbool is een teken waarbij geen natuurlijke relatie bestaat tussen de representatie van het teken en de betekenis die ermee wordt uitgedrukt. een symbool heeft dus enerzijds een vorm en anderzijds een betekenis. de betekenis van een symbool is conventioneel.

kunnen we hoofdoeken toelaten onder het mom van vrijheid als zij onderdrukking impliceert? en anderzijds, kan je ad hoc vrijheden ontnemen omdat de kans bestaat dat zij in sommige gevallen een uiting van onderdrukking zou betekenen?

ik kan dan misschien wel stellen dat binnen onze maatschappij, die ik zonder werkelijk schaamrood op de wangen te krijgen, democratisch kan noemen, elke uiting en hoedanigheid een uiting is van een vrije/individuele aangevoelde nodigheid om te zijn wie ze zijn.

pagina 2 van 2

lees verder op pagina 1 2

7 commentaren

[...] hoofddoekendebat in gent blijft de gemoederen hier bij kritic-us beroeren. eerder zetten katelijne en dieter hun argumentatie al uiteen. zij vonden dat het hoofddoekendebat inhoudelijk meer moest [...]

 

ik heb niet veel aan/opmerkingen, behalve het feit dat het een zeer sterke tekst is.
het sterkste van deze tekst (naast de argumentatie) is de stijl die gehanteerd wordt.
het niet te zakelijk, ligt neigend naar proza (vooral de eerste alinea’s) zonder te vervallen in (gevaarlijk geforceerde) zweverigheid.
dit dus over de vorm.
wat de inhoud betrefd, sluit ik me er volledig bij aan.

 

uitstekende tekst en niet omdat deze grotendeels aansluit bij wat ik in een eerdere tekst hebt gesteld, wel omdat dit een doordachte en gestructureerde redenering is.
zo is de discussie waar wij mee worstelen uitgeschreven. beiden waren we voorheen absolute voorstanders van een verbod, overal. de neutraliteit van de staat, de secularisatie is een fundament van onze diverse samenleving. maar onze teksten beschrijven hoe dit idee aan het wankelen kwam. en terecht.
vanzelfsprekend kan ik me vinden in de argumentatie, maar katelijne is radicaler dan ik. voor mij is de correlatie aan macht de reden om te zeggen dat in bepaalde functies een hoofddoek kan, in bepaalde niet. de dames en heren van bijvoorbeeld baas over eigen hoofd scharen zich eerder achter katelijne (ten bewijze de foto van de gesluierde actievoerders in alle mogelijke functies). zij voert hier ook de schifting vooraf aan (tijdens opleidingen). dit heb ik niet vermeld, omdat ik niet weet of dit ook daadwerkelijk zo is. alleszins wel een argument om in rekening te brengen.
toch blijft het – voorlopig?- mijn overtuiging dat dit niet altijd kan. en op deze momenten is het van belang de hoofddoek los te laten en alle symbolen in beschouwing te nemen. en hier zitten er volgens mij nog altijd te veel dubbelzinnigheden om de lijn meteen volledig door te trekken. mijn angst voor het sneeuwbaleffect blijft.
dat het hoofddoekendebat niet mag gaan over de onderdrukking van de vrouw, komt in mijn tekst naar voor als non-argument, evenals hier naar het einde toe. dit wordt duidelijker uitgeschreven in de tekst van rogier de corte.
nog één tikfoutje: zo vindt bijna iedereen het heel normaal dat een rechter zich ostentatief zichtbaar neutraal opstelt… .
het wordt tijd om onze koppen bij elkaar te steken en te werken aan de samenvattende verklaring van kritic-us! ik kijk er al naar uit.

 

ik wist niet dat ‘de daadwerkelijkheid van de opleiding’ dé reden was waarom je het argument van de schifting vooraf niet vermelde …
daarom deze kleine bijdrage: ook al zullen vele studenten door de mazen van het net glippen, lijkt het me meer dan evident dat net de opleiding dat impliceert. ik durf zelfs te denken daar zeker van te zijn, en dat is dan gebaseerd op het horen en beluisteren van hen die lesgeven aan de jonge juristen en de in spe advocaten en rechters. met andere woorden zal de opleiding misschien geen absoluut uitsluitsel aanbieden dan wel de grond en reden aanleren van de noodzaak van objectiviteit, van het kunnen overstijgen van het subjectief aanvoelen.

graag had ik verwezen naar een tekst van Serge Gutwirth e.a. waarin zij het a-priorisch hoofddoekverbod onverdedigbaar achten. ik vond deze tekst onlangs terug tussen mijn verzameling krantenartikels. in mijn laatste gedachtenkronkels volg ik hen volledig, het is dan ook hilarisch mijn toenmalige commentaren op die tekst erbij te lezen. ik tracht hen zo snel mogelijk op deze site te krijgen.

 

klaar, flinke tekst; soms struikel ik eens over een woord, zin. maar laten we dat een ingebouwde veiligheid noemen: zorgen dat de lezer aandachtig blijft. voor de rest niets dan lof (=vormelijk)

verder heb ik enkele bedenkingen en vragen (ik bedoel: dingen die ik denk wanneer ik de tekst lees; of in vraag stel).
hoe baken je publieke ruimte af? (ik bedoel: juridisch, praktisch, haalbaar; ik zou het kunnen opzoeken maar zegt ú het maar).

‘dat een verbod in essentie beperking van vrijheid is en dat we daar uiterst en heel doordacht mee moeten omgaan’, bij deze passage knikte ik heel heftig (ik bedoel: ik ben het daar heel erg mee eens, gevoelsmatig.)

uniformiteit. de absolute claim tot gelijkheid is de sleutel tot discrimintatie; lijkt een contradictie in terminis, maar houdt (een) waarheid in.

verder nog dit: je loopt plots .. hard van stapel? (ik bodoel: je gaat plots heel snel en neemt veel mee op je wagen, ik spreek mij hier niet uit over de doordachtheid ervan= niet negatief bedoeld). maar wanneer je ook een rechter toestaat zich zonder schroom te voorzien van een pet met een anarchistische slogan .. denk ik ‘hola’.
ik heb bij dieters tekst reeds gemeld hoe dubieus ik de toga van een rechter vind. hoe onzeker je bent dat de man of vrouw in kwestie ook ideologisch een toga draagt… een vrijelijk uiten van ideologie en denken toestaan lijkt me echter een brugje verder.
op die manier laat je zien vanuit welke optiek je uiteindelijk het vonnis zult inkleuren, hoe neutraal je dat ook tracht te doen. door je ideologie visueel te maken lijkt me bovendien dat je er meteen ook voor zorgt dat men spoken gaat zien. aan te raden? niet naar mijn mening..
dieter zecht dan iets over beslissingsrecht. en dat de mate waarin men beslist een soort van manier moet zijn om een lijn te trekken. een denkpiste die ik volg.
ik begeef me hierbij op zeer dun ijs (ik weet niet altijd even goed waar ik het over heb) door daar nog iets aan toe te voegen: namelijk de mate waarin men kan kiezen door wie men wordt behandeld. bij een balie in een gemiddeld stadhuis kan je nog kiezen waar je aanschuift (niet altijd, ziehier het eerste hiaat); maar een rechter heb je niet te kiezen. houdt het steek? (ik kan zelf ook enkele tegenargumenten verzinnen) ik zei reeds eerder: bedenkingen…
verder niets
tenzij.
serge gurtwirth moet wel een heel bijzonder persoon zijn. die mens wordt gewoon als enige een hoofdletter toebedeeld. of is het net andersom?

 

grrr… hoofdletters – een snelheidsfoutje!!

de vraag naar de afbakening van de publieke ruimte is heel belangrijk en zelfs noodzakelijk toch zal deze nog even moeten
wachten op een uitdieping ervan. net als die contradictie in terminis die je aankaart.
(ik schreef dit stukje onmiddellijk en zonder nalezen van derden, dit wetende in combinatie met mijn taal dyslexie ;) wil ik me nu al verontschuldigen voor taal en andere -dt fouten).

een woordje over (en ik ervaar het zeker niet als een negatieve kritiek) het teveel op mijn wagen nemen.
hier zou ik twee zaken willen uitfilteren.
ten eerste is het niet zo dat ik zonder schroom de rechter met anarchistische trekjes toelaat, laat staan verkies. het is als het ware de extreme veruiterlijking van mijn argumentatie.
ten tweede jouw ‘dubieus aanvoelen van het dragen van een toga’.

ten eerste:
wanneer ik een argumentatie opbouw rond het al dan niet dragen van een zichtbaar religieus symbool, moet deze toepasbaar zijn op al zijn veruiterlijkingen, ook op de meest extreme voorbeelden. het is dus niet zo dat ik zulk een rechter zonder schroom wens of verkies, maar louter een logisch gevolg van mijn argumentatielijn.
wanneer ik die ‘vier’ zaken verdedig
1. de zo groot mogelijke vrijheid van ieders denken en kiezen
2. iemands (persoonlijke) ideologie valt niet weg samen met het symbool dat hij wil dragen als veruiterlijking ervan
3. het doorslaggevend effect van een uniform (een toga)
4. de onderliggende filtering/ schifting van de opleiding
moet en zal ik die argumentatielijn ook consequent doortrekken. wanneer men mij dan vraagt:’stel, een rechter voorzien van pet met anarchistische slogan, kan volgens jou rechter worden/zijn?, zal mijn antwoord ja zijn. om dezelfde redenen die ik niet kan en wil verloochen of aanpassen omdat het voorgelegde voorbeeld nu eenmaal ‘extreem’ is.

ten tweede:
jouw ‘dubieus aanvoelen’ van het dragen van een toga. dit discussiepunt lijkt te neigen naar een subjectief aanvoelen en is dus moeilijk en waarschijnlijk zelfs eeuwig. hetgeen ik hieronder zal beschrijven is geen antwoord of zoektocht naar jouw dubieus aanvoelen maar eerder een zoekende verklaring van mijn “geloof” in het dragen van een uniform.
het dragen van een uniform/toga is zowel voor de drager als voor de toeschouwer een zichtbaar uiten van iets – van een deelname aan een groter geheel – een bewuste deelname aan een bepaalde visie/ideologie. het is niet vreemd – vandaar ook de wijdverspreidde afkeer voor een uniform – dat een ‘persoon in pak’ als het ware een stuk ‘persoonlijkheid, uniciteit’ verliest/opgeeft. men wordt groep, men toont zich als een collectief. gun jezelf de hypothetische beelden van een groep meisjes in een groen uniform, jongens in een blauw-wit uniform met grote gouden knopen, zelfs een gezin met tweeling op wandel waarbij beiden identieke pakjes aan hebben …
dit op zich is een feit, maar moet niet per se gezien worden als negatief. het is een feit maar moet niet onmiddellijk gecorreleerd worden aan de angst geen individu meer te zijn.
daarbovenop komt het feit dat diegene die het unform draagt een soort van ‘veiligheidsgevoel, groepsgevoel’ ervaart. hij is en blijft natuurlijk de persoon die hij is, maar voelt ‘het masker’ dat hij draagt.
zo herinner ik me de conversatie met mijn zus nog levendig. altijd mijn zus’je’ geweest, jonger en kleiner ;) en ze werd advocaat. als ik haar dan vroeg: ‘hoe doe je het? in de rechtzaal? voor al die voorzitters, advocaten en rechters? verdedigen en spreken; beslissen, winnen en verliezen van geld, vrijheid en waardigheid van een (vreemde) andere, een derde?’ was haar antwoord ontluikend simpel. het moment dat ik mijn toga aantrek, wordt ik advocaat. de stress en zenuwen smelten als sneeuw voor de zon, ik ben dan niet het (kleine) zusje maar meester de corte (= de officiele term als advocaat).

is datzelfde fenomeen niet te filteren uit mijn voorkomen wanneer ik ga lesgeven? geen gescheurde kleren, geen verfvlekken en altijd in het zwart. daar ben ik leerkracht, daar heb ik een voorbeeldfunctie. mijn katzijn verdwijnt natuurlijk niet maar wordt welliswaar tijdelijk onderdanig.

is dat niet het meer dan bekende en beschreven fenomeen van ‘het masker’?

bovenop dit alles dwaalt de laatste weken de idee door mijn hoofd dat het wel tonen van je ideologische achtergrond eerder een vorm van eerlijkheid/objectiviteit impliceert dan dat men er ‘spoken gaat door zien’.

ik zeg het nogmaals, dit hele pleidooi legt onmiddellijk ook het gevaar bloot van het wel dragen van een unifom. (een toch wel positieve noot aan het adres van de mei ’68 generatie;). het is zeker niet dat ik dat negeer maar de ‘keuze’ is simpel. of je ziet het gevaar en neigt dan naar een afwijzen ten aanzien van het uniform, of je ziet het positieve effect ervan en eerder voorstander.

meer dan duidelijk neigt mijn voorkeur naar dit laatste en dat wordt versterkt door mijn eerder vernoemde argumentatiepunten 2. iemands (persoonlijk) ideologie valt niet weg samen met het symbool en 4. de onderliggende filtering/schifting van de opleiding

ok. ik ‘volg’.
dank.

 
 

nieuw commentaar

naam (vereist)
e-mail (vereist - wordt niet getoond)
website
uw commentaar (kleiner | groter)
u kan html-code gebruiken in uw commentaar