waar twijfel is, is vrijheid

patti smith - anarchydit is een meandrisch denken – omtrent het al dan niet zichtbaar tonen van religieuze, ideologische, filosofische en levensbeschouwelijke symbolen in een ambtsfunctie. een vurig voorstander voor het verbod op hoofddoeken – het volledig verbannen van zichtbare religieuze symbolen was de strijd en overtuiging. het uitschreeuwen van een geseculariseerde samenleving verlamde de stembanden of zoals het in dieters tekst staat beschreven moest ‘de neutraliteit van de staat overal gerespecteerd en getoond worden’.
binnen onze samenleving zou een absolute scheiding bestaan tussen privé en publiek, dat was nu eenmaal de best mogelijke collectieve oplossing om iedereen gelijkheid te garanderen. de publieke agora kon geen zichtbare mengelmoes tentoonspreiden van verschillende overtuigingen, ideologiëen, levensbeschouwingen of religies. het moest duidelijk zijn, eens in de publieke ruimte kon enkel neutraliteit aanwezig zijn, daardoor zou iedereen ongeacht zijn overtuiging, net als de andere ‘behandeld’ worden. verder bouwend op deze redenering was het voorstander-zijn van het dragen van een uniform logisch. men ging er steeds vanuit – zelfs toen zij in het verplichte groen haar schooluren sleet tussen duizend andere groen gekleede meisjes – dat een uniform net dat in zich draagt: het nivilleren – een neutraliseren. het “bewust” en collectief tonen van een aanvaarde neutraliteit – van een verwachte objectiviteit en gelijkheid.

en dan was er de stemming in gent – een officieel verbod op het dragen van een hoofddoek door stadsambtenaren werd goedgekeurd – de mond proefde klef en onmiddellijk wisten wij, zonder verklaarbare reden, dat er iets niet just zat.

hoe kon ik – dochter van hij die me drilde en leerde dat het ‘verbieden van’ een louter en absoluut uiterste was – dat een verbod in essentie beperking van vrijheid is en dat we daar uiterst voorzichtig en heel doordacht mee moeten omgaan? zijn vurige strijd, een strijd voor anderen – voor een zo groot mogelijke vrijheid als noodzakelijke basis van een kunnen samenleven. door te bevragen en te kijken leert men dat er een werkelijke scheidingslijn bestaat tussen aanvoelen, denken, willen, angsten én hetgeen we anderen, door een bekomen consensus mogen en kunnen opleggen, ontnemen en verbieden. een strijd voor vrijheid, zonder welliswaar de juridische gelijkheid tussen allen te ondermijnen. vrijheid in die zin dat ieder mag en kan kiezen hoe zich te uiten, dit zowel door symbolen als met woorden. de juridische gelijkheid impliceert net dat er verschillen zijn, maar er mag vanuit het rechtsstelsel geen onderscheid gemaakt worden dat niet door zichzelf kan worden verklaard. zo kan bijvoorbeeld een extra belasting niet wanneer dit geldt voor personen waar de namen beginnen met a-d-f-t. het verschil dat hier gemaakt wordt met de andere namen, kan intrinsiek niet worden verklaard. dat bijvoorbeeld grafdelvers alleen maar mannen mogen zijn, zou wel intrinsiek verklaard kunnen worden omdat het nu eenmaal een feit is dat hun fysieke capaciteit groter is dan bij vrouwen.
het streven naar neutraliteit daarentegen leek te resulteren in een streven naar uniformiteit (gelijkvormigheid) waardoor vrijheden van anderen werden beperkt. een ergens gelezen zin begon steeds meer betekenis te krijgen: ‘de absolute claim tot gelijkheid is de sleutel tot discriminatie’.

het kunnen en moeten scheiden van hetgeen jouw wereld maakt, van hetgeen jouw waarden, normen, ideologie en overtuiging is én hetgeen algemeen geldend is, wordt heel snel verwaarloosd of zelfs vergeten. het is een noodzakelijk onderscheid tussen een subjectief en een zo objectief mogelijk denken. we zien eenzelfde noodzaak wanneer we bijvoorbeeld kunst bekijken, bespreken en bekritiseren. ook hier lijken individuele uitspraken doorslaggevend en bepalend. toch is het net als binnen het politiek-sociaal domein, van cruciaal belang het onderscheid te (h)erkennen tussen het wat ‘ik’ kunst vind, de individuele criteria van schoonheid en kunst en hetgeen algemeen geldend is/zou moeten zijn. in nederland beslistte de directie van het haags museum de werken van sooreh hera niet tentoon te stellen. het museum wil geen politiek forum zijn, dit is niet de plaats om een (hedendaags heel actueel) politieke discussie te voeren. haar kunstwerken worden als te beledigend ervaren in bepaalde groepen van de samenleving. hier toont zich een verwarring tussen ‘persoonlijke’ argumenten/overtuigingen én algemeen geldende. de criteria van het museum naast de criteria van wat kunst mag en moet zijn. philippe van cauteren repliceerde hierop in ter zake. je kan dan wel vinden dat kunst geen politieke uitlaatklep kan/mag zijn maar laat me duidelijk zijn, dat is een individuele overtuiging. kunst is altijd, zelfs een abstracte werk van bijvoorbeeld mondriaan, een politiek statement – een politiek geladen uiting.

het is uiterst belangrijk dat we bij het nemen van een beslissing – die zeggingskracht heeft over het geheel, en dus logischerwijs over anderen (kan zowel in de kunstwereld als op maatschappelijk vlak, politiek en sociaal) – onze persoonlijke drive, onze persoonlijke angst, onze persoonlijke waarden en normen overstijgen.
de kennismaking met de onkunde deze scheiding te volharden op alle vlakken was dan ook hevig. overgeërfde en algemeen geldende liefde voor een zo groot mogelijke vrijheid voor anderen ongeacht de eigen levenswijze en -denken én een aangeleerd en individueel gewenst overkoepelende neutraliteitsdenken, konden het niet met elkaar vinden.
de strijd voor een hegemonie van de absolute neutraliteit/gelijkvormigheid in een samenleving was niet vol te houden en tevens niet wenselijk, want hoe hou je dat vol zonder anderen hun vrijheid te ontnemen? waar haalt men de idee te willen dat iedereen – van loketbediende over leerkracht tot rechter – zich neutraal moet tonen?

pagina 1 van 2

lees verder op pagina 1 2

7 commentaren

[...] hoofddoekendebat in gent blijft de gemoederen hier bij kritic-us beroeren. eerder zetten katelijne en dieter hun argumentatie al uiteen. zij vonden dat het hoofddoekendebat inhoudelijk meer moest [...]

 

ik heb niet veel aan/opmerkingen, behalve het feit dat het een zeer sterke tekst is.
het sterkste van deze tekst (naast de argumentatie) is de stijl die gehanteerd wordt.
het niet te zakelijk, ligt neigend naar proza (vooral de eerste alinea’s) zonder te vervallen in (gevaarlijk geforceerde) zweverigheid.
dit dus over de vorm.
wat de inhoud betrefd, sluit ik me er volledig bij aan.

 

uitstekende tekst en niet omdat deze grotendeels aansluit bij wat ik in een eerdere tekst hebt gesteld, wel omdat dit een doordachte en gestructureerde redenering is.
zo is de discussie waar wij mee worstelen uitgeschreven. beiden waren we voorheen absolute voorstanders van een verbod, overal. de neutraliteit van de staat, de secularisatie is een fundament van onze diverse samenleving. maar onze teksten beschrijven hoe dit idee aan het wankelen kwam. en terecht.
vanzelfsprekend kan ik me vinden in de argumentatie, maar katelijne is radicaler dan ik. voor mij is de correlatie aan macht de reden om te zeggen dat in bepaalde functies een hoofddoek kan, in bepaalde niet. de dames en heren van bijvoorbeeld baas over eigen hoofd scharen zich eerder achter katelijne (ten bewijze de foto van de gesluierde actievoerders in alle mogelijke functies). zij voert hier ook de schifting vooraf aan (tijdens opleidingen). dit heb ik niet vermeld, omdat ik niet weet of dit ook daadwerkelijk zo is. alleszins wel een argument om in rekening te brengen.
toch blijft het – voorlopig?- mijn overtuiging dat dit niet altijd kan. en op deze momenten is het van belang de hoofddoek los te laten en alle symbolen in beschouwing te nemen. en hier zitten er volgens mij nog altijd te veel dubbelzinnigheden om de lijn meteen volledig door te trekken. mijn angst voor het sneeuwbaleffect blijft.
dat het hoofddoekendebat niet mag gaan over de onderdrukking van de vrouw, komt in mijn tekst naar voor als non-argument, evenals hier naar het einde toe. dit wordt duidelijker uitgeschreven in de tekst van rogier de corte.
nog één tikfoutje: zo vindt bijna iedereen het heel normaal dat een rechter zich ostentatief zichtbaar neutraal opstelt… .
het wordt tijd om onze koppen bij elkaar te steken en te werken aan de samenvattende verklaring van kritic-us! ik kijk er al naar uit.

 

ik wist niet dat ‘de daadwerkelijkheid van de opleiding’ dé reden was waarom je het argument van de schifting vooraf niet vermelde …
daarom deze kleine bijdrage: ook al zullen vele studenten door de mazen van het net glippen, lijkt het me meer dan evident dat net de opleiding dat impliceert. ik durf zelfs te denken daar zeker van te zijn, en dat is dan gebaseerd op het horen en beluisteren van hen die lesgeven aan de jonge juristen en de in spe advocaten en rechters. met andere woorden zal de opleiding misschien geen absoluut uitsluitsel aanbieden dan wel de grond en reden aanleren van de noodzaak van objectiviteit, van het kunnen overstijgen van het subjectief aanvoelen.

graag had ik verwezen naar een tekst van Serge Gutwirth e.a. waarin zij het a-priorisch hoofddoekverbod onverdedigbaar achten. ik vond deze tekst onlangs terug tussen mijn verzameling krantenartikels. in mijn laatste gedachtenkronkels volg ik hen volledig, het is dan ook hilarisch mijn toenmalige commentaren op die tekst erbij te lezen. ik tracht hen zo snel mogelijk op deze site te krijgen.

 

klaar, flinke tekst; soms struikel ik eens over een woord, zin. maar laten we dat een ingebouwde veiligheid noemen: zorgen dat de lezer aandachtig blijft. voor de rest niets dan lof (=vormelijk)

verder heb ik enkele bedenkingen en vragen (ik bedoel: dingen die ik denk wanneer ik de tekst lees; of in vraag stel).
hoe baken je publieke ruimte af? (ik bedoel: juridisch, praktisch, haalbaar; ik zou het kunnen opzoeken maar zegt ú het maar).

‘dat een verbod in essentie beperking van vrijheid is en dat we daar uiterst en heel doordacht mee moeten omgaan’, bij deze passage knikte ik heel heftig (ik bedoel: ik ben het daar heel erg mee eens, gevoelsmatig.)

uniformiteit. de absolute claim tot gelijkheid is de sleutel tot discrimintatie; lijkt een contradictie in terminis, maar houdt (een) waarheid in.

verder nog dit: je loopt plots .. hard van stapel? (ik bodoel: je gaat plots heel snel en neemt veel mee op je wagen, ik spreek mij hier niet uit over de doordachtheid ervan= niet negatief bedoeld). maar wanneer je ook een rechter toestaat zich zonder schroom te voorzien van een pet met een anarchistische slogan .. denk ik ‘hola’.
ik heb bij dieters tekst reeds gemeld hoe dubieus ik de toga van een rechter vind. hoe onzeker je bent dat de man of vrouw in kwestie ook ideologisch een toga draagt… een vrijelijk uiten van ideologie en denken toestaan lijkt me echter een brugje verder.
op die manier laat je zien vanuit welke optiek je uiteindelijk het vonnis zult inkleuren, hoe neutraal je dat ook tracht te doen. door je ideologie visueel te maken lijkt me bovendien dat je er meteen ook voor zorgt dat men spoken gaat zien. aan te raden? niet naar mijn mening..
dieter zecht dan iets over beslissingsrecht. en dat de mate waarin men beslist een soort van manier moet zijn om een lijn te trekken. een denkpiste die ik volg.
ik begeef me hierbij op zeer dun ijs (ik weet niet altijd even goed waar ik het over heb) door daar nog iets aan toe te voegen: namelijk de mate waarin men kan kiezen door wie men wordt behandeld. bij een balie in een gemiddeld stadhuis kan je nog kiezen waar je aanschuift (niet altijd, ziehier het eerste hiaat); maar een rechter heb je niet te kiezen. houdt het steek? (ik kan zelf ook enkele tegenargumenten verzinnen) ik zei reeds eerder: bedenkingen…
verder niets
tenzij.
serge gurtwirth moet wel een heel bijzonder persoon zijn. die mens wordt gewoon als enige een hoofdletter toebedeeld. of is het net andersom?

 

grrr… hoofdletters – een snelheidsfoutje!!

de vraag naar de afbakening van de publieke ruimte is heel belangrijk en zelfs noodzakelijk toch zal deze nog even moeten
wachten op een uitdieping ervan. net als die contradictie in terminis die je aankaart.
(ik schreef dit stukje onmiddellijk en zonder nalezen van derden, dit wetende in combinatie met mijn taal dyslexie ;) wil ik me nu al verontschuldigen voor taal en andere -dt fouten).

een woordje over (en ik ervaar het zeker niet als een negatieve kritiek) het teveel op mijn wagen nemen.
hier zou ik twee zaken willen uitfilteren.
ten eerste is het niet zo dat ik zonder schroom de rechter met anarchistische trekjes toelaat, laat staan verkies. het is als het ware de extreme veruiterlijking van mijn argumentatie.
ten tweede jouw ‘dubieus aanvoelen van het dragen van een toga’.

ten eerste:
wanneer ik een argumentatie opbouw rond het al dan niet dragen van een zichtbaar religieus symbool, moet deze toepasbaar zijn op al zijn veruiterlijkingen, ook op de meest extreme voorbeelden. het is dus niet zo dat ik zulk een rechter zonder schroom wens of verkies, maar louter een logisch gevolg van mijn argumentatielijn.
wanneer ik die ‘vier’ zaken verdedig
1. de zo groot mogelijke vrijheid van ieders denken en kiezen
2. iemands (persoonlijke) ideologie valt niet weg samen met het symbool dat hij wil dragen als veruiterlijking ervan
3. het doorslaggevend effect van een uniform (een toga)
4. de onderliggende filtering/ schifting van de opleiding
moet en zal ik die argumentatielijn ook consequent doortrekken. wanneer men mij dan vraagt:’stel, een rechter voorzien van pet met anarchistische slogan, kan volgens jou rechter worden/zijn?, zal mijn antwoord ja zijn. om dezelfde redenen die ik niet kan en wil verloochen of aanpassen omdat het voorgelegde voorbeeld nu eenmaal ‘extreem’ is.

ten tweede:
jouw ‘dubieus aanvoelen’ van het dragen van een toga. dit discussiepunt lijkt te neigen naar een subjectief aanvoelen en is dus moeilijk en waarschijnlijk zelfs eeuwig. hetgeen ik hieronder zal beschrijven is geen antwoord of zoektocht naar jouw dubieus aanvoelen maar eerder een zoekende verklaring van mijn “geloof” in het dragen van een uniform.
het dragen van een uniform/toga is zowel voor de drager als voor de toeschouwer een zichtbaar uiten van iets – van een deelname aan een groter geheel – een bewuste deelname aan een bepaalde visie/ideologie. het is niet vreemd – vandaar ook de wijdverspreidde afkeer voor een uniform – dat een ‘persoon in pak’ als het ware een stuk ‘persoonlijkheid, uniciteit’ verliest/opgeeft. men wordt groep, men toont zich als een collectief. gun jezelf de hypothetische beelden van een groep meisjes in een groen uniform, jongens in een blauw-wit uniform met grote gouden knopen, zelfs een gezin met tweeling op wandel waarbij beiden identieke pakjes aan hebben …
dit op zich is een feit, maar moet niet per se gezien worden als negatief. het is een feit maar moet niet onmiddellijk gecorreleerd worden aan de angst geen individu meer te zijn.
daarbovenop komt het feit dat diegene die het unform draagt een soort van ‘veiligheidsgevoel, groepsgevoel’ ervaart. hij is en blijft natuurlijk de persoon die hij is, maar voelt ‘het masker’ dat hij draagt.
zo herinner ik me de conversatie met mijn zus nog levendig. altijd mijn zus’je’ geweest, jonger en kleiner ;) en ze werd advocaat. als ik haar dan vroeg: ‘hoe doe je het? in de rechtzaal? voor al die voorzitters, advocaten en rechters? verdedigen en spreken; beslissen, winnen en verliezen van geld, vrijheid en waardigheid van een (vreemde) andere, een derde?’ was haar antwoord ontluikend simpel. het moment dat ik mijn toga aantrek, wordt ik advocaat. de stress en zenuwen smelten als sneeuw voor de zon, ik ben dan niet het (kleine) zusje maar meester de corte (= de officiele term als advocaat).

is datzelfde fenomeen niet te filteren uit mijn voorkomen wanneer ik ga lesgeven? geen gescheurde kleren, geen verfvlekken en altijd in het zwart. daar ben ik leerkracht, daar heb ik een voorbeeldfunctie. mijn katzijn verdwijnt natuurlijk niet maar wordt welliswaar tijdelijk onderdanig.

is dat niet het meer dan bekende en beschreven fenomeen van ‘het masker’?

bovenop dit alles dwaalt de laatste weken de idee door mijn hoofd dat het wel tonen van je ideologische achtergrond eerder een vorm van eerlijkheid/objectiviteit impliceert dan dat men er ‘spoken gaat door zien’.

ik zeg het nogmaals, dit hele pleidooi legt onmiddellijk ook het gevaar bloot van het wel dragen van een unifom. (een toch wel positieve noot aan het adres van de mei ’68 generatie;). het is zeker niet dat ik dat negeer maar de ‘keuze’ is simpel. of je ziet het gevaar en neigt dan naar een afwijzen ten aanzien van het uniform, of je ziet het positieve effect ervan en eerder voorstander.

meer dan duidelijk neigt mijn voorkeur naar dit laatste en dat wordt versterkt door mijn eerder vernoemde argumentatiepunten 2. iemands (persoonlijk) ideologie valt niet weg samen met het symbool en 4. de onderliggende filtering/schifting van de opleiding

ok. ik ‘volg’.
dank.

 
 

nieuw commentaar

naam (vereist)
e-mail (vereist - wordt niet getoond)
website
uw commentaar (kleiner | groter)
u kan html-code gebruiken in uw commentaar